Op Aswoensdag 18 februari j.l. begon de Vastentijd. Wat dit jaar bij velen de aandacht heeft getrokken is een toen verschenen verklaring van een groep kritische evangelische christenen in de VS. ‘Oproep aan christenen in een crisis van geloof en democratie’, zo heet de verklaring. Delen van de tekst circuleren in Nederlandse vertaling op het internet, onder andere bij dagblad Trouw.
Er zijn momenten dat christenen grijpen naar het middel van een belijdende tekst. Op een moment dat er om smeekt om een woord van waarheid te laten horen. Dat gebeurde in 1934 in de zgn. Barmer Thesen die ook opgenomen zijn in de Belijdenisgeschriften van onze Kerk. Daar werd tegen de Nazi-partij als een nieuwe openbaring van Godswege de persoon van Christus gesteld. Of denk aan het Kairos-document uit 1985 waarin vanuit een christelijk perspectief de Apartheidspolitiek werd afgewezen.
Welnu, voor een aantal kritische evangelische christenen in de VS is het moment nu gekomen om in deze tijd van Trumpisme een ander geluid te laten horen. Dat gebeurde dus rond Aswoensdag en de tijd heeft helaas geleerd dat dit andere geluid zeer nodig is. Vergelijk hoe Pete Hegseth, de Amerikaanse minister van Oorlog (voorheen defensie, nu oorlog…), spreekt over de oorlog tegen Iran als een God-gewilde missie. Op het moment dat ik dit schrijf dreigt de VS met een vernietiging van de Iraanse cultuur. De wereld kijkt toe.
In deze situatie klinken woorden uit de bovengenoemde verklaring:
Er zijn momenten die vragen om bekering en verzet, om moed en overtuiging, om geloof en standvastigheid. Dit is zo’n moment. Wij worden geconfronteerd met een hardvochtige en onderdrukkende overheid die burgers en migranten demoniseert en zelfs doodt; het afbrokkelen van moeizaam verworven rechten en vrijheden; en een doelbewuste poging om de groeiende raciale en etnische diversiteit van Amerika terug te draaien – alles duwt ons in de richting van autoritair en imperialistisch bestuur.
Wat ons te wachten staat is niet alleen een bedreigde democratie en de opkomst van tirannie. De ketterse ideologie van wit christelijk nationalisme tast ook het geloof aan, terwijl de kerk er nauwelijks in slaagt om haar leden te leren hoe ze de leer van Jezus kunnen belichamen en haar profetische roeping te vervullen als humane, compassievolle en morele gids voor de samenleving.
De huidige crisis is niet alleen politiek, zij wortelt ook in een moreel en geestelijk verval dat zichtbaar wordt in een alarmerende polarisatie. Dat stelt ons geloof op de proef. Christenen mogen dat niet negeren, ze moeten in actie komen.
Nu is het tijd om moedig trouw te zijn aan Jezus’ boodschap: het beeld van God in ieder mens verdedigen; onze naaste lief hebben; vergelding afwijzen; genade, barmhartigheid en mededogen tonen. Het is Jezus’ radicale tegencultuur, van zorg voor armen, kwetsbaren en gemarginaliseerden.
Geloof en democratie sterven niet ineens, ze sterven langzaam uit wanneer wij ons aanpassen en het evangelie inwisselen voor macht en zwijgen over onrecht. Als wij als christenen nu niet spreken en handelen – helder, moedig en profetisch –zullen we herinnerd worden, niet alleen om het huidige onrecht, maar ook omdat wij de kansen om daar wat aan te doen hebben laten liggen.
Nu is de tijd om te praten én te doen. Moge God ons leiden en kracht geven.
Tot zover enkele kenmerkende citaten uit deze verklaring. Waar raakt deze verklaring ons? Wij doen toch niet aan christelijk nationalisme? Wij echter leven in een tijd waarin alles op losse schroeven staat. Wij weten niet wat de toekomst ons zal brengen. Het zou kunnen zijn dat van ons veel eerder dan wij voor mogelijk houden een vorm van spreken en handelen en een vorm van geestelijke weerbaarheid verwacht wordt die we ons nu nog niet kunnen voorstellen.
De afgelopen Stille Week heeft ons de gelegenheid gegeven om avond aan avond gevoed te worden met woorden van waarheid. Woorden die ons de nodige weerbaarheid geven. In de Paaswake gingen wij samen de weg van duister naar licht. Het nieuwe licht werd binnengedragen en wij gaven het aan elkaar door. Met brandende kaarsjes gingen wij naar buiten waar het lichtje van menigeen uitging. Waarop een ander haar of zijn vlam aanbood om het licht opnieuw aan te steken. Zo hebben wij elkaar nodig, ook als de machten straks aan ons trekken en het licht dreigt gedoofd te worden.
Erik van Halsema
